Datum: 3 juni 2015

Nummer: ILT-2015/29374

DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU,

Handelende in overeenstemming met de Minister van Defensie;

Gelezen het verzoek van het NLR ontvangen op 10 april 2015, contactpersoon de heer J.F. Boer, tel.: 031 88 511 3129, e-mail: Jan-Floris.Boer@nlr.nl;

Gezien het gegeven dat:

  • –lichte onbemande luchtvaartuigen voorrang moeten verlenen aan al het andere luchtverkeer; dat dit mogelijk is door binnen zichtafstand van de piloot te blijven en naast de piloot nog een waarnemer te verplichten;

  • –uitvoerende regelgeving in ontwikkeling is en internationaal overeenstemming bestaat over de uitgangspunten voor beroepsmatig gebruik van lichte onbemande luchtvaartuigen op veilige afstand van mensenmenigten en gebouwen;

  • –het verboden is om beroepsmatig deel te nemen aan het luchtverkeer met een licht onbemand luchtvaartuig, tenzij hiervoor ontheffing is verleend;

  • –de piloten van het NLR beschikken over een door het NLR afgegeven grondschoolcertificaat;

  • –het NLR beschikt over een goedgekeurd operationeel handboek waarin de verantwoordelijkheden en procedures zijn vastgelegd;

  • –het verboden is om beroepsmatig deel te nemen aan het luchtverkeer met een licht onbemand luchtvaartuig, tenzij hiervoor ontheffing is verleend;

  • –het NLR beschikt over seniorpiloten die zijn opgeleid voor het geven van vlieginstructie, het afnemen van examens en het uitvoeren van testvluchten;

  • –het NLR beschikt over twee nieuwe UAS’en en één piloot die aan de eisen voldoen om in de bedrijfsontheffing te worden opgenomen en één piloot niet meer als piloot wordt ingezet;

Gelet op de artikelen 2.1, vierde lid, 3.21 en 5.5, derde lid, van de Wet luchtvaart;

BESLUIT:

Artikel 1

  • 1.Aan het NLR wordt ontheffing verleend van de verbodsbepalingen van de artikelen 3.8, eerste lid, onderdeel b, en 3.19a, eerste lid, onderdeel b, van de Wet luchtvaart en van de verbodsbepaling van artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Regeling modelvliegen om beroepsmatig (RPAS aerial work: research, training, test, flight exams) deel te nemen aan het luchtverkeer met de volgende lichte onbemande luchtvaartuigen:

    • a.Bergen Industrial Turbine B-ITJC.001, met nationaliteits- en inschrijvingskenmerk PH-1AB;

    • b.Align T-Rex 700E, met nationaliteits- en inschrijvingskenmerk PH-1AC;

    • c.Ascending Technologies Pelican, met nationaliteits- en inschrijvingskenmerk PH-1AD;

    • d.Mikrokopter MK Okto XL2, met nationaliteits- en inschrijvingskenmerk PH-1AE;

    • e.Mikrokopter MK L4, met nationaliteits- en inschrijvingskenmerk PH-1AF;

    • f.Parrot AR Drone 2.0, met nationaliteits- en inschrijvingskenmerk PH-1AG;

    • g.Reely Phoenix XL, met nationaliteits- en inschrijvingskenmerk PH-1AH;

    • h.Mikrokopter Quadro XL, met nationaliteits- en inschrijvingskenmerk PH-1AI;

    • i.Mikrokopter Quadro XL, met nationaliteits- en inschrijvingskenmerk PH-1AJ, en

    • j.experimentele UAS, met nationaliteits- en inschrijvingskenmerk PH-X1A, PH-X1B, PH-X1C, PH-X1D of PH-X1E zonder dat de luchtvaartuigen zijn voorzien van een geldig bewijs van luchtwaardigheid en geluidscertificaat.

  • 2.Aan de volgende medewerkers van het NLR wordt ontheffing verleend van het verbod, genoemd in artikel 2.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart, voor het beroepsmatig maken van (test)vluchten met de in het eerste lid genoemde lichte onbemande luchtvaartuigen zonder in het bezit te zijn van een geldig bewijs van bevoegdheid (RPA-L; VLOS, VFR daylight; (H)(A) mtom < 25 kg; unpopulated area; non EU; non ICAO):

    • a.de heer C.F. Muller;

    • b.de heer M.W.J. van Essen;

    • c.de heer M. Roelofsz;

    • d.de heer H. van Gilst;

    • e.de heer A.F. Hanema.

  • 3.Het NLR fungeert bij de voorbereiding en uitvoering van de vluchten als exploitant van de in het eerste lid genoemde lichte onbemande luchtvaartuigen.

Artikel 2

  • 1.Het NLR mag trainings- en testvluchten laten uitvoeren door piloten en UAS-operators op de luchthavens die worden genoemd in artikel 3, onderdeel b.

  • 2.De trainings- en testvluchten, genoemd in het eerste lid, worden uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van een senior UAS-piloot van het NLR.

  • 3.Het NLR mag praktijktoets-/-examenvluchten laten uitvoeren voor piloten en UAS-operators op de locaties die worden genoemd in artikel 3, onderdeel a, onder toezicht van de NLR-examinator.

Artikel 3

Aan deze ontheffing zijn de volgende voorschriften en beperkingen verbonden:

  • a.het NLR mag vluchten met de in artikel 1, eerste lid, genoemde lichte onbemande luchtvaartuigen uitvoeren op locaties in Nederland tot een maximale hoogte van 120 meter boven de grond of het water (400 ft AGL);

  • b.vanwege de beperkingen van het grondstation van de in artikel 1, eerste lid, onderdelen a en b, genoemde lichte onbemande luchtvaartuigen en het experimentele karakter van de lichte onbemande luchtvaartuigen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel j, zijn de vluchten met deze toestellen beperkt tot de volgende locaties:

    • 1°.NLR luchthaventerrein in Flevoland;

    • 2°.ZCNOP zweefvliegveld in Flevoland (na verkregen toestemming van de gebruiker);

    • 3°.ASK ’t Harde (EHR 3) (na verkregen toestemming van de beheerder);

    • 4°.militaire vliegbases (na verkregen toestemming van de MLA en de commandant van de desbetreffende vliegbasis);

  • c.de vluchten vinden plaats binnen de daglichtperiode zoals gepubliceerd in het AIP Netherlands GEN 2.7;

  • d.de vluchten worden uitgevoerd in:

    • 1°.klasse G-luchtruim bij een vliegzicht van ten minste 1,5 kilometer en vrij van bewolking;

    • 2°.klasse C-luchtruim bij een vliegzicht van ten minste 5 kilometer en ten minste 300 meter (1000 ft) verticale en 1.500 meter horizontale afstand van bewolking, mits wordt voldaan aan onderdeel l;

    • 3°.klasse D-luchtruim bij een vliegzicht van ten minste 5 kilometer en ten minste 300 meter (1000 ft) verticale en 1.500 meter horizontale afstand van bewolking, mits wordt voldaan aan onderdeel l;

  • e.de horizontale afstand tussen de UAS en mensen, aaneengesloten bebouwing en in gebruik zijnde autosnelwegen, autowegen of wegen waar een maximale snelheid van 80 kilometer per uur geldt, bedraagt ten minste 150 meter;

  • f.onverminderd onderdeel e bedraagt de horizontale afstand tot vaartuigen, voertuigen, kunstwerken en spoorlijnen minimaal 50 meter;

  • g.de horizontale afstand tot industrie- en havengebieden bedraagt ten minste 50 meter;

  • h.constructies (zoals windmolens) en gebouwen die onder zeggenschap vallen van de exploitant van de UAS, mogen binnen 150 meter worden benaderd onder voorwaarde dat de UAS op minstens 150 meter van mensen en in gebruik zijnde vaartuigen en voertuigen blijft;

  • i.het lichte onbemande luchtvaartuig blijft binnen het gezichtsveld/Visual Line of Sight (hierna te noemen: VLOS) van de piloot;

    VLOS wil in ieder geval zeggen dat de afstand van het luchtvaartuig tot de piloot, die het externe besturingsstation bedient, of de gekwalificeerde waarnemer maximaal 500 meter en de vlieghoogte maximaal 120 meter boven het aardoppervlak (400 ft AGL) bedraagt;

  • j.het NLR voert de vluchten uit volgens een goedgekeurd operationeel handboek;

  • k.het NLR maakt voor iedere vlucht:

    • 1°.een operationeel plan;

    • 2°.een risicoanalyse,

    en bewaart deze minimaal tot de eerstvolgende audit;

  • l.het NLR coördineert de vluchten in:

    • 1°.civiel beheerde CTR’s (met luchtruimklasse C) conform de door LVNL via de Operationele Helpdesk gepubliceerde procedures of conform de te maken afspraken met de luchtverkeersleiding van CTR Niederrhein;

    • 2°.militair beheerde CTR’s (met luchtruimklasse C of D) vooraf met de luchtverkeersleidingsdienst van de desbetreffende militaire luchthaven;

    en voert een vlucht in een CTR pas uit na verkregen toestemming van de desbetreffende luchtverkeersleidingsdienst;

  • m.het NLR coördineert vluchten in militaire laagvlieggebieden of in de buurt van militaire laagvliegroutes met:

    • 1°.het Operatie- en Coördinatiecentrum (OCC) van het Defensie Helikopter Commando voor laagvlieggebieden met de aanduiding ‘GLV’, met uitzondering van GLV XI (zie punt 3) (e-mail: p56503@mindef.nl, tel.: 0161 296770);

    • 2°.de Koninklijke Militaire School Luchtmacht van de vliegbasis Woens-drecht voor de militaire laagvliegroute VO (e-mail: kmsl.ops.emvo@mindef.nl);

    • 3°.het Defensie Helikopter Commando (DHC), Bureau Operaties De Kooy, tel.: 0223 658553 (e-mail: DHC.currentops.860sq@mindef.nl) voor het militaire laagvlieggebied GLV XI (Wieringermeerpolder),

    en voert deze vluchten pas uit nadat toestemming van de desbetreffende instantie is verkregen;

  • n.het NLR voert geen vluchten uit binnen een afstand van 3 nautische mijlen van de laagvliegroute Link 10 op maandag tot en met donderdag;

  • o.het NLR is ervoor verantwoordelijk dat de piloot altijd direct de koers en hoogte van het luchtvaartuig kan wijzigen, ook als bij normale vluchtuitvoering geen sprake is van manuele besturing van het onbemande luchtvaartuig;

  • p.het NLR wijst voor de desbetreffende vlucht een gezagvoerder aan onder wiens verantwoordelijkheid de vlucht wordt uitgevoerd; vóór de vlucht neemt de gezagvoerder kennis van alle gegevens en inlichtingen die voor de uitvoering van de vlucht van belang kunnen zijn;1

  • q.het NLR wijst naast de gezagvoerder en/of piloot2 voor de desbetreffende vlucht een waarnemer aan; het is de taak van de waarnemer om de gezagvoerder tijdens de vlucht te voorzien van informatie over de omgeving en de daarmee samenhangende botsingsrisico’s en zo nodig daaromtrent instructies te geven;

  • r.verzekering:

    • 1°.het NLR is verzekerd voor aansprakelijkheid bij ongevallen al dan niet resulterend in schade of letsel ten aanzien van derden;

    • 2°.het NLR voldoet ten minste aan de verzekeringseisen zoals deze zijn vastgelegd in Verordening (EG) nr. 785/2004 van het Europees parlement en de Raad van 21 april 2004, betreffende de verzekeringseisen voor luchtvervoerders en exploitanten van luchtvaartuigen;

  • s.het NLR stelt voor iedere vlucht ten minste één veilige positie voor het onbemande luchtvaartuig vast voor die gevallen waarbij de communicatie tussen het onbemande luchtvaartuig en het externe besturingsstation wordt verbroken;

  • t.het NLR stelt voor iedere vlucht een plan vast waaruit in ieder geval volgt dat de risico’s worden gemitigeerd van een mogelijke botsing met overig luchtverkeer dan wel mensenmenigten, constructies en gebouwen op de grond;

  • u.voorvalmeldingen:

    • 1°.het NLR meldt voorvallen en ernstige incidenten binnen 72 uur aan het Analyse Bureau Luchtvaartvoorvallen van de Inspectie Leefomgeving en Transport ingevolge de Regeling melding voorvallen in de burgerluchtvaart; zie www.ilent.nl onder ‘luchtvaartvoorval melden’ en www.ais-netherlands.nl voor AIC-B 02/10;

    • 2°.ongevallen (= met gewonde(n) of dode(n)) moeten (na de hulpverleningsoproep) direct worden gemeld aan:

      • a)de OVV (tel.: 0800 MELDOVV of 0800 6353 688), en

      • b)de crisiscoördinator van ILT (tel.: 070 456 3434);

    • 3°.incidenten worden binnen het NLR geadministreerd en beoordeeld en het management bekijkt of deze moeten leiden tot verbeteringen van de bedrijfsvoering, in ieder geval wanneer de incidenten betrekking hebben op de vluchtuitvoering;

  • v.het NLR is ervoor verantwoordelijk dat iedere geplande vluchtuitvoering op een terrein aangewezen voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik wordt gemeld bij de Inspectie via een e-mail aan meldingtug@ilent.nl; ingevolge artikel 35, derde lid, van de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen meldt de houder van de ontheffing ten minste 24 uur vóór de dag waarop het terrein zal worden gebruikt, dit voornemen schriftelijk of per e-mail aan de Minister van Infrastructuur en Milieu en de burgemeester van de gemeente waarin het desbetreffende terrein ligt; de melding aan de Minister kan worden gedaan via de melding aan de inspectie;

  • w.het NLR is ervoor verantwoordelijk dat iedere vlucht die onder deze beschikking valt, ten minste 24 uur van tevoren per e-mail wordt gemeld aan div.hoofddorp@ilent.nl o.v.v. ‘Evaluatie beschikking het NLR ILT-2015/29374’ met toevoeging van het operationeel plan en de risicoanalyse van de desbetreffende vlucht;

  • x.het NLR is ervoor verantwoordelijk dat voldoende voor de vluchtuitvoering met dit luchtvaartuig opgeleid, gekwalificeerd en vakkundig personeel wordt ingezet bij de lichte UAS-vluchtuitvoering;

  • y.personeel dat gemoeid is met de vluchtvoorbereiding of -uitvoering van de lichte UAS, werkt niet met het systeem indien er sprake is van een omstandigheid waarbij vermoeidheid of een gevoel van niet fit zijn een gevaar voor de luchtwaardigheid of de vlucht zou kunnen opleveren;

  • z.het NLR initieert uiterlijk 2 dagen vóór de vlucht plaatsvindt de publicatie van een NOTAM waarin de UAS-activiteit bekend wordt gemaakt, voor:

    • 1°.vluchten die plaatsvinden onder of in civiel gecontroleerd luchtruim bij de Operationele Helpdesk LVNL, per e-mail ops_helpdesk@lvnl.nl;

    • 2°.vluchten die plaatsvinden onder of in militair gecontroleerd luchtruim, bij het AOCS NM, per e-mail AOCS.AIS@mindef.nl;

    indien een NOTAM is uitgegeven, maar de vlucht niet doorgaat, laat het NLR deze NOTAM intrekken;

  • aa.om in aanmerking te komen voor verlenging van de geldigheidsduur van de ontheffing:

    • 1°.moeten de onbemande luchtvaartuigen worden gebruikt en onderhouden volgens de aanwijzingen van de fabrikant(en);

    • 2°.moet iedere vlieger in de afgelopen 2 jaar ten minste 2 uur per jaar als gezagvoerder van het onbemande luchtvaartuig hebben gefunctioneerd op 6 verschillende dagen, waarbij in de laatste 90 dagen ten minste 3 vluchten zijn uitgevoerd;

    • 3°.moet het NLR een adequaat trainingsprogramma voor een opfriscursus en proeve van bekwaamheid hebben en gebruiken voor bestuurders van lichte onbemande luchtvaartuigen die niet meer aan de ervaringseis voldoen;

    • 4°.moet zijn gewerkt in overeenstemming met deze beschikking en de van toepassing zijnde regels uit of gebaseerd op de Wet luchtvaart;

    • 5°.moeten de piloten van het NLR een vliegmedische keuring voor LAPL hebben ondergaan;

    • 6°.moet een audit hebben plaatsgevonden waarbij minimaal de volgende onderwerpen positief zijn getoetst:

      • a)werken conform het operationele handboek (inclusief de werking van het veiligheidsmanagementsysteem);

      • b)de logboeken en journaals;

      • c)de luchtwaardigheid van de gebruikte luchtvaartuigen.

Artikel 4

Het NLR levert uiterlijk 1 juli 2015 een operationeel handboek aan de inspectie, waarin alle elementen uit het document ‘Checklist OM voor operators’ zijn verwerkt.

Artikel 5

Het handelen in strijd met deze beschikking is een strafbaar feit.

Artikel 6

Deze beschikking treedt in werking met ingang van 4 juni 2015, werkt terug tot en met 16 april 2015 en vervalt met ingang van 1 februari 2016.

De gereviseerde beschikking met nummer ILT-2014/75354 vervalt met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze beschikking.

DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU,namens deze,DE SENIOR INSPECTEUR ILT/VERGUNNINGEN,A. Schurink-v.d. Klugt

Bezwaarclausule

Indien u het niet eens bent met deze beschikking, kunt u hiertegen op grond van het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht binnen zes weken na de datum waarop deze beschikking is verzonden, schriftelijk bezwaar aantekenen.

Het bezwaarschrift moet worden ondertekend en moet ten minste bevatten:

  • −de naam en het adres van de indiener;

  • −de dagtekening;

  • −een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar is gericht;

  • −de gronden van het bezwaar.

Het bezwaarschrift kunt u richten aan:

Inspectie Leefomgeving en Transport

Postbus 16191

2500 BD Den Haag

Comment